1. De Luizenzusters

vrij naar Rimbaud/muziek: Ferré

als het hoofd van het kind vol met plagende plekke
schrijnt om troost, laagje wattige droom dat verzacht
nagels zilver gelakt, ranke vingers die strekken
houden twee knappe zusters zo mooi wit de wacht

naast het kind bij het raam en dat raam staat wijd open
geurt het blauw van de lucht, bonte bloei van het groen
voelt het vingers gevaarlijk verleidelijk lopen
woelt het wild, over huid die verraderlijk gloeit

luistert stil naar hun zangerig bangige adem
ruikt een hevige geur, honingzoet, ochtenddauw
klinkt het lispelend slissende lippenvocht zalig
zuigt ze zinnelijk zachtjes naar binnen, de vrouw

zwarte wimper die knippert slaat een gat in de stilte
lome stilte, een trillende vinger die knijpt
worden nagels de klauwen van ijskoninginnen
als het beestje daar knisperend tussen verdwijnt

raakt het kind in een roes, lusteloosheid komt boven
een harmonica treurt, maakt hem mogelijk gek
dat de zusters hem traag en met tederheid kozen
steeds die drang om te huilen, welt op, ebt weer weg


Les Chercheuses de poux

Quand le front de l'enfant, plein de rouges tourmentes,
Implore l'essaim blanc des rêves indistincts,
Il vient près de son lit deux grandes soeurs charmantes
Avec de frêles doigts aux ongles argentins.

Elles assoient l'enfant devant une croisée
Grande ouverte où l'air bleu baigne un fouillis de fleurs,
Et dans ses lourds cheveux où tombe la rosée
Promènent leurs doigts fins, terribles et charmeurs.

Il écoute chanter leurs haleines craintives
Qui fleurent de longs miels végétaux et rosés,
Et qu'interrompt parfois un sifflement, salives
Reprises sur la lèvre ou désirs de baisers.

Il entend leurs cils noirs battant sous les silences
Parfumés ; et leurs doigts électriques et doux
Font crépiter parmi ses grises indolences
Sous leurs ongles royaux la mort des petits poux.

Voilà que monte en lui le vin de la Paresse,
Soupir d'harmonica qui pourrait délirer;
L'enfant se sent, selon la lenteur des caresses,
Sourdre et mourir sans cesse un désir de pleurer.




2. Zo word ik eindelijk mijn gelijke

vrij naar Goethe/muziek: Wolf

Mignon:
zo word ik eindelijk mijn gelijke
in mijn engelpak, dat mag niet uit  
de aarde zie ik langzaam wijken
ik zweef, ik vind een stevig huis

die rust, het is zo licht en stil daar
dan zie ik in een oogopslag
mijn engelpak dat is iets dierbaars    
dat niet meer hoeft, dus leg het af

want al die stralende hemelwezens  
die vragen niet naar vrouw of man
geen pak met vleugels, zelfs niet deze  
dat zacht hun ijle lijf omspant

dit is geen plek voor zorg of lijden  
de pijn is oud, herinnering
die maakte veel te vroeg een einde
geef mij voor eeuwig een nieuw begin


So lasst mich scheinen, bis ich werde

Mignon:
So lasst mich scheinen, bis ich werde,
Zieht mir das weisse Kleid nicht aus!
Ich eile von der schönen Erde
Hinab in jenes feste  Haus.

Dort ruh’ ich eine kleine Stille,
Dan öffnet sich der frische Blick;
Ich lasse dann die reine Hülle,
Den Gürtel und den Kranz zurück.

Und jenen himmlischen Gestalten
Sie fragen nicht nach Mann und Weib,
Und keine Kleider, keine Falten
Umgeben den verklärten Leib.

Zwar lebt’ ich ohne Sorg und Mühe,
Doch fühlt’ ich tiefen Schmerz genung.
Vor Kummer altert’ ich zu frühe;
Macht mich auf ewig wieder jung!